De kinderen…

Voor onze auto stopt een lijkwagen maar die kan niet voor ons zijn.. Wij leven nog… dat wil zeggen, ik leef nog… Even gaat het door mij heen om mijn vriend te roepen maar de angst om geen antwoord te krijgen weerhoud me. Ik wil niet geloven dat mijn vriend niet meer leeft. Mijn gedachten dwalen af naar de jongen uit de andere auto. Zou hij soms dood zijn? Maar waarom staat die auto dan vóór ons? Ik hoor boze brandweermannen vragen of de bestuurder de auto onmiddellijk wil verplaatsen, hij is hier niet nodig.

‘We kunnen er anders niet bij’ hoor ik hem zeggen… hij staat in de weg, dat is geweldig nieuws…

Er gebeurt heel veel om ons heen, ik probeer mijn hoofd in de richting van de deur te draaien maar het lukt me niet, ik kan alleen naar voren kijken. Daar komt een nog grotere brandweerwagen aanrijden… Ze gaan dus echt de motor naar voren trekken. Ik geloof niet dat ik dit wil zien… Ik ben zo bang voor wat er mis is met mijn benen… En het moment dat mijn benen vrij komen te liggen zal ook het moment van de waarheid zijn…

Waarom zei ik vorige week dat ik nog nooit iets in het gips had gehad en dat ik er wel nieuwsgierig naar was naar hoe dat zou voelen?

Aan de zijkant van de auto hoor ik mannen praten over een frontale aanrijding, waarbij de andere auto doormidden is gebroken en de voor- en achterkant 70 meter bij elkaar vandaan lagen… Dat klinkt ernstig, denk ik, ontdaan… zoiets ergs kan niemand overleven…

De zachte vrouwenstem vraagt hoe het met me gaat, ik weet niet meer wat ik moet antwoorden het is nog steeds een film waar ik in meespeel en ik weet niet meer of het nu wel of niet goed met me gaat. ‘Ik ben bang’ fluister ik, en ze aait over mijn hand, mijn ogen lopen vol tranen. Daardoor lijkt de regen, die ik door de lichtbundels van de brandweerauto zie vallen, een sprookjesachtig effect aan de omgeving te geven… Naast me hoor ik mijn vriend nu huilen… In een poging hem op te beuren en mezelf moed in te spreken, fluister ik ‘Huil maar niet ze doen hun best’ ‘

… De, ondertussen, vertrouwde mannenstem naast me, zegt dat hij mijn hand even moet loslaten omdat een politieagent erbij moet om een paar vragen te stellen… Ik hoor mezelf smekend vragen om me alstublieft niet los te laten en knijp hem nog steviger vast… Ik kan hem niet loslaten. . De warmte van zijn hand geeft me het gevoel dat ik vol kan houden en hier kan blijven… Ik hoor zijn zachte stem zeggen dat hij me vast zal blijven houden. ik haal opgelucht adem.

‘Hallo, gaat het?’ weer een andere mannenstem. Ik zeg maar gewoon ‘ Ja’ want in feite gaat het ook allemaal wel. Het ergste komt volgens mij ook pas als ik Eenmaal uit de auto ben en ze de werkelijke schade kunnen gaan vaststellen… Hij vraagt of mijn naam klopt met zijn gegevens en ik knik bevestigend. Waarop ik de damesstem hoor zeggen dat ik zo stil mogelijk moet zitten en vooral mijn hoofd niet mag bewegen.

Ik wil een grapje maken over dat ik liever met mijn handen zou praten maar mijn armen niet kan bewegen maar hou me maar in. Het lijkt niet het moment voor grapjes te zijn.

Weer die mannenstem… ‘De kinderen zijn toch thuis? Die zaten toch niet in de auto?’ Ineens ben ik klaarwakker en volkomen helder… Onze kinderen!! Ze zullen niet weten waar we zijn. Ik ging voor een kwartiertje de deur uit en ondertussen lijkt dat al uren geleden… Ik hoor de agent vragen wie ze kunnen waarschuwen om de kinderen op te vangen, en ik antwoord automatisch dat ze onze buren kunnen vragen… Ik wil nog aan de man vragen of hij het zo voorzichtig mogelijk aan de kinderen wil vertellen maar krijg de woorden niet uit mijn mond. Ach en dat weten die politieagenten zelf ook wel besef ik… Wil je zeggen dat alles goed gaat, mompel ik, ze zijn nog zo klein en kunnen dit niet begrijpen…

‘Waar wonen de buren?’ vraagt de man… en voor mijn doen, ongewoon bits, antwoord ik ‘Naast ons natuurlijk!! anders zouden het onze buren toch niet zijn?’

Het vervolg lezen?